In elke babydrager dient het kindje redelijk strak geknoopt te zijn zodat hij niet los hangt. In verticale posities dient het kindje symmetrisch te blijven. Moeder en kind moeten zich prettig en op hun gemak voelen; de draagdoek behoort geen pijn te geven, niet aan mama noch aan de baby.
En pasgeborene baby mag zowel in de horizontale als verticale houdingen gedragen worden. In de verticale houdingen dienen de beentjes van de baby helemaal in de draagdoek te zitten in de natuurlijke houding met uitgespreide heupjes en knietjes opgetrokken. Babies tot ongeveer 3 maanden houden hun benen opgetrokken, en het is niet verstandig om ze geforceerd te spreiden.
In de horizontale houdingen dient de baby recht te blijven, met zijn hoofje ter hoogte van de mama’s borst. De beentjes kunnen vanaf de knieen uit de doek steken. Pasgeboren babies mogen helemaal met de knieen en voeten in de draadoek gelegd worden.
In verticale en semi-verticale houdingen moet het hoofdje van de baby goed gefixeerd zijn met de bovenste rail van de draagdoek. Totdat de baby ongeveer 3 maanden is, is het niet nodig de beentjes echt wijd te spreiden. Zorg dat de knieen hoger zijn dan de billen.
Vanaf 3 maanden – of eerder, indien de baby zijn beentjes goed kan spreiden en zijn hoofdje goed kan ondersteunen, kan de classieke verticale kikkerhouding gebruikt worden met de beentjes uit de doek.
De beentjes dienen in de kikkerhouding te zitten. De onderste rail van de draagdoek moet onder de die knieen lopen, zodat de billen in de draagdoek kunnen zakken. In de verticale houdingen moeten de beentjes symmetrisch blijven; de billen dienen lager zijn dan de knieen, en de voetjes moeten in tegengestelde richtingen wijzen.
In de horizontale houdingen mag het kindje vanaf de geboorte gedragen worden.
In de verticale houdingen met de beentjes helemaal in de draagdoek mag de baby vanaf de geboorte en t/m 3 maanden gedragen worden.
In de verticale houdingen met de beentjes in er uit mag de baby de buik en heup gedragen worden.
Vanaf 1 jaar mag het kindje op de rug van de ouders gedragen worden.
De ringen van de ring sling moeten zich op het sleutelbeen van de moeder of wat hoger bevinden om drukpunten te voorkomen.
De stof van de ring sling moet goed gespreid zijn op de rug van de moeder.
De ring sling moet zo aangespannen zijn dat baby dicht bij mama zit en zijn lichaam goed ondersteund wordt.
De stof van de ring sling moet goed over de schouder van de moeder gespreid zijn en niet naar de nek kruipen.
Het is aan te raden om de kant waarop de baby wordt gedragen te wisselen. Van kant wisselen is goed voor de rug van de moeder en voor de symmetrische ontwikkeling van de speiren van de baby.
Zorg in de horizontale houding, “de wieg”, dat de stof van de ring sling goed uitgespreid is vanaf het hoofdje van de baby en tot zijn knieen. Pasgeborenen kunnen volledig in de ring sling liggen, zelfs met hun voetjes. De baby dient dan bijna horizontaal te liggen, met het hoofdje iets hoger dan de benen. Let op dat de kin van de baby niet op zijn borst rust! Het hoofdje van de baby dient ongeveer ter hoogte van de borst van de moeder te liggen. De binnenste rail van de ring sling, die tussen de moeder en de baby komt, dient ook goed gespreid te zijn. In het begin kan het nodig zijn om het hoofdje van de baby met de hand te ondersteunen. Tijdens het borstvoeden in de horizontale houding is het zelfs noodzakelijk om het hoofdje van de baby te ondersteunen. Het ondersteunen met de hand hoeft niet als de baby in slaap is gevallen. Het kan handig zijn om het hoofje van de baby op, naast, of onder de borst van de moeder leggen en de buitenste rail van de ring sling wat strakker aan te spannen.
In de horizontale houdingen met de beentjes er uit (op de buik, op de heup, en op de rug), dient de binnenste rail van de ring sling onder de knieen van het kindje te zitten. De billen van de baby moeten helemaal in de sling zakken, zodat billen lager zitten dan de knieen. De buitenste rail van de ring sling ter hoogte van baby’s schouderblad te zijn (of ter hoogte van de nek van de baby als zijn armen in de ring sling zitten). De buitenste rail dien goed aangespannen te zijn, zodat het kindje dicht bij mama is.
In de horizontale houdingen mag de baby vanaf de geboorte gedragen worden.
In de verticale houdingen en semi-verticale houdingen met de beentjes in de “kikkerhouding” (de benen zitten onder de billen) mag het kindje vanaf de geboorte gedragen worden.
De draagdoek dient (bijna) in alle draagmethodes goed gespreiden te zijn over de rug en schouders van de moeder en over de baby.
De draagdoek dient strak genoeg geknoopt te zijn, zodat de baby dicht bij mama is.
In de horizontale houdingen dient het hoofdje van de baby, net zoals in de ring sling, ter hoogte van de borst van de moeder te zijn.
In de verticale houdingen dienen de beentjes van de baby in de “kikkerhouding” te zitten (de benen zijn volledig gespreid), zodat de billen lager zijn dan de knieen. Het kruis van de draagdoek dient goed gespreid te zijn van de ene knie van de baby naar de andere. Het uitspreiden van het kruis van de draagdoek is niet nodig bij de Tibetan Carry en de Rugzak Carry.
De wieghouding (een horizontale houding) is mogelijk in de Mei Tai en mag vanaf de geboorte van de baby gebruikt worden. Hoewel, de borstvoeding is niet mogelijk in deze houding en daarom zijn andere types van de draagdoek meer geschikt voor pasgeborenen.
In de verticale houdingen met de beentjes “er in” (met de benen onder de billen) mag de baby vanaf de geboorte t/m 3 maanden gedragen worden.
In de verticale houdingen met de beentjes in de “kikkerhouding” (de benen zijn volledig gespreiden) mag de baby vanaf 3 maanden gedragen worden.
De Mei Tai dient strak genoeg geknoopt zijn, zodat baby dicht bij mama is.
De schouderbanden van de Mei Tai dienen gekruist te zijn op de rug van de baby. Het kruis moet zo hoog mogelijk op de rug van de baby zitten. Na het kruisen gaan de schouderbanden verder onder de knieen van de baby. Pas als het kindje 1 jaar is, mag het zich op de billen van het kindje bevinden in plaats van op de rug.
De schouderbanden van de Mei Tai dienen goed gespreiden te zijn over de schouders van de moeder en niet naar haar nek glijden.
Pas op de deuropeningen, bochten en meubels. Met de baby in een draagdoek wordt je “groter” en je moet aan je “nieuwe maat” even wennen.
Buig niet te laag vanuit je rug met de baby in de draagdoek. Als je iets van de vloer moet oppakken, kan je het het beste doen door in je knieen te zakken.
Kinderen zijn nieuwgierig en willen alles in hun handjes nemen. Pas op als je met je baby in de draagdoek naast gevaarlijke artikelen staat.
Gebruik geen draagdoek in plaats van een fietszitje of een autostoeltje!
Let op dat je drank of voedsel niet te heet is, terwijl je baby in de draagdoek zit.
Draag geen schoenen met hoge en dunne hakken en zorg dat de zool van je schoenen niet te glad is.